Sartre, Zuidema en de slag om de secularisatie

(Vooraf: dit artikel verscheen dezer dagen op de website van het Historisch Documentatiecentrum van de Vrije Universiteit. Dat ik het hier bij wijze van zelf-plagiaat publiceer heeft de eenvoudige reden dat ik m’n artikelen graag bij elkaar zet). Een aantal jaren geleden promoveerde een goede collega van me tot doctor in de historische wetenschap. Na afloop van die gelegenheid was er, zoals te doen gebruikelijk, een promotiediner. Ik dacht na over een cadeau en besloot dicht bij mezelf te blijven en de biografie van de Franse schrijver en filosoof Jean Paul Sartre (1905-1980) te geven, geschreven door Annie Cohen-Solal. Dat boek verscheen in 1985 in een Nederlandse vertaling en werd een groot succes, niet alleen omdat de herinnering aan de schrijver nog vers was, maar ook en vooral dankzij het charmante optreden van de biografe in het destijds vermaarde boekenprogramma van Adriaan van Dis.

Waarom Sartre? Omdat ik in mijn jonge jaren een passie ontwikkelde voor deze duivelskunstenaar, die niet alleen een origineel denker was, maar ook een begaafd romancier, toneelschrijver en trefzeker essayist. Sartre was op zijn manier een bevrijder zoals de Nederlandse dichter Simon Vinkenoog (foto) schreef bij de dood van het fenomeen. Met zijn filosofie van onontkoombare vrijheid varieerde Sartre op thema’s, die in het christendom centraal stonden: de mens is in de Bijbel vrij voor God, kan voor of tegen Hem kiezen. Met dit verschil dat Sartre God irrelevant noemde. God of geen God: de mens zou hoe dan ook gedoemd zijn tot vrijheid.

Dat Sartre God irrelevant noemde, irriteerde de gereformeerde hoogleraar filosofie Sytse Ulbe Zuidema (1906-1975) in hoge mate. Bij het aanbieden van Sartres biografie aan de jonge doctor, noemde ik zijn naam in één adem met die van Zuidema (foto). Als ik aan Sartre denk, denk ik namelijk altijd aan Zuidema. Niet alleen omdat Zuidema en Sartre generatiegenoten waren, maar ook en vooral omdat de twee stonden voor twee wereldbeelden: een door en door geseculariseerd (Sartre) en een orthodox christelijk (Zuidema).

Zuidema studeerde theologie en filosofie aan de Vrije Universiteit en werkte in de jaren dertig als predikant in Nederlands-Indië. Tijdens de oorlog raakte hij in Japanse gevangenschap. Hij keerde na de oorlog terug in Nederland en werd hoogleraar calvinistische wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit, waar hij aantrad met het uitspreken van de oratie Nacht zonder dageraad. Die oratie bevatte een scherpe kritiek op Sartres filosofie. De Franse denker tekende de mens als ‘een nutteloze hartstocht’, gedoemd tot vrijheid tot de dood hem inhaalde en deed verstenen. Zijn denken was een denken van de nacht, waarop geen dageraad volgde. En die dageraad was voor Zuidema het christelijk geloof, dat zin én uitzien naar eeuwig leven bood.

Zuidema verschanste zich niet in de ivoren toren van de wetenschap. Zijn oratie was niet voor het grote publiek geschreven en zou vele ‘gewone’ gereformeerden onbekend zijn gebleven als hij zijn opvattingen over Sartre, die een obsessie voor hem leek, niet populariseerde voor een groter publiek. Hij stond aan de basis van de populaire driedelige serie Denkers van deze tijd, die vanaf 1953 werd uitgegeven door de goed gereformeerde uitgeverij T. Wever te Franeker. Daarin ruimde hij ook plaats in voor Sartre, die hij ‘de meest radicaal onchristelijke, ja anti-christelijke denker’ van zijn tijd noemde. Sartre zou, aldus Zuidema, het humanisme ‘verteerd’ hebben tot een ‘naakt en brutaal nihilisme’. Zuidema was zelf geen origineel denker, maar bezat de kracht en zwakte van alle goede polemisten: hij bracht de gebreken van zijn tegenstander haarscherp onder woorden, maar had geen oog voor diens verdiensten.

Terugblikkend op ‘de eeuw van Sartre’, zoals een boektitel van de befaamde Franse filosoof Bernard-Henry Lévy luidde, moet gezegd dat veel van Zuidema’s kritiek raak was. Sartre liep vast met zijn extreem individualistische filosofie van de tot vrijheid en tot de dood veroordeelde mens en voelde dat zelf na de Tweede Wereldoorlog ook wel. Hij zocht naar broederschap en omhelsde het marxisme, dat hij de belangrijkste filosofie van zijn tijd noemde. Sartre ging zover de massamoordenaars Stalin en Mao te verdedigen en zou sterven als een doorgeslagen radicaal en activist, die uitsluitend gedreven leek door zelfhaat en een afkeer van de Westerse beschaving.

Zuidema daarentegen voorspelde al de jaren vijftig dat het communisme ten onder zou gaan. ‘De emancipatie der mensheid uit bindingen aan God en aan medemenselijk gezag, mondt uit in bindingen aan de goddeloze en medemenselijke terreur. Emancipatie beloofd, verslaving verworven!’

De gereformeerde filosoof zag dus scherp waar Sartres denken spaak liep. Hij bestreed Sartre zo heftig omdat hij besefte dat de Franse denker de voorbode was van een vloedgolf van secularisatie die het avondland dreigde te overspoelen. En dat gebeurde ook. Sartre werd een lichtend voorbeeld voor de generatie die in de jaren zestig van de vorige eeuw in opstand kwam tegen de burgerlijke orde. Terwijl Parijs in mei 1968 brandde, werd Sartre op de Sorbonne toegejuicht als een held. Zowel zijn vrijheidsfilosofie als zijn communisme waren populair. Met de ineenstorting van het communisme kan alleen die vrijheidsfilosofie nog op populariteit bogen. Maar die populariteit duurt wel voort tot op de huidige dag.

Zuidema daarentegen raakte al snel na zijn dood in vergetelheid. Hij had bij leven geprobeerd de door Sartre voorgestane secularisatie te bestrijden. Hij streed vurig voor het behoud van Nederlands-Indië, vond dat een christen geen lid van de Partij van de Arbeid kon worden en meende dat zijn Antirevolutionaire Partij in de jaren zestig van de vorige eeuw te links werd.

De ‘tekenen des tijds’ wezen in de richting van ontvoogding van gezag en van emancipatie van het individu ten koste van gemeenschap, geloof en kerk. Zuidema kon die tekenen des tijds niet accepteren en ging als een eigentijdse Jeremia tekeer tegen wat hij beschouwde als de ontheiliging van het christelijk geloof.

Advertentie