W.A. Visser ’t Hooft, de paus van de oecumene wiens koninkrijk niet van deze wereld was

Wereldraad van KerkenHij is altijd een wat schimmige figuur gebleven, hoewel hij in de jaren zeventig naast voetballer Johan Cruijff gold als een van de meest bekende Nederlanders in het buitenland: Willem Adolf Visser ’t Hooft (1900-1985), die gedurende de hoogtijdagen van de Koude Oorlog de Wereldraad van Kerken leidde. Hij heeft nu eindelijk zijn biografie. Die geeft te denken over de machteloosheid van het christendom in de twintigste eeuw. Visser ’t Hooft hoopte door de kerken met één stem te laten spreken het christendom tot een morele kracht te maken in de wereldpolitiek. Maar zijn diplomatie en vredesoproepen waren tevergeefs. De wereldleiders hoorden hem geduldig aan en de kerken bleven, al zijn inspanningen ten spijt, even verdeeld als zij altijd al waren. 

Een van de meest fascinerende kanten van godsdienst is de hang van hun belijders naar orthodoxie. Terwijl de wetenschap de wereld onttovert en het dus voor de hand zou liggen dat gelovigen hun geloof in een opperwezen enigszins zouden proberen te rijmen met de stand van de wetenschap, leiden vrijzinnige kerkgenootschappen een kwijnend bestaan, terwijl orthodoxe gemeenschappen juist bloeien.

ZeilstraIk schrijf dat hier, omdat lezing van de boeiende en prachtig uitgegeven biografie Visser ’t Hooft, een leven voor de oecumene door theoloog en historicus Jurjen Zeilstra leert dat Visser ’t Hooft ook niet aan deze kennelijke wetmatigheid ontsnapte. Hij werd in 1900 geboren in een vrijzinnig remonstrants gezin. Zijn vader was een ruimdenkend jurist en zijn moeder dochter van een vrijzinnig predikant die op den duur de weg ging van figuren als Conrad Busken Huet en Allard Pierson: hij legde zijn ambt neer omdat hij het allemaal niet meer kon geloven.

Je zou dan zeggen: zijn kleinzoon Willem Visser ’t Hooft, groot geworden in zo’n vrijzinnig milieu, zal dan wel helemaal niets meer geloven of op zijn hoogst half geloven. Maar nee, zo simpel is het leven niet. Visser ’t Hooft zou zijn leven lang orthodox zijn en blijven. Dat wil zeggen: hij geloofde dat Jezus van Nazareth als zoon van God naar de wereld was gekomen om door zijn kruisdood de zonden van de mensheid op zich te nemen en zo verzoening te brengen tussen God en wereld, mits de mensheid Jezus als (zoon van) God aanvaardt. Dat geloof gaf Visser ’t Hooft nooit op.

George-W-BushHij groeide op in de nadagen van het christendom. Dat wil zeggen: in de nadagen van het zelfgenoegzame, tevreden christendom, waarin Europa nog een christelijk continent genoemd kon worden. Dat christendom was bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nauw verbonden met de staat en schroomde niet staatshoofden en hun wapens te zegenen omdat ze een heilige oorlog voerden.

Deze gekte is nog terug te vinden in de Mohammedaanse wereld, waar IS en andere terreurorganisaties hun ‘heilige oorlogen’ voeren. En eveneens in de Verenigde Staten, zoals in 2003 bleek toen George W. Bush (foto) verklaarde dat God hem had ingefluisterd de tirannie van Saddam Hoessein in Irak te vernietigen.

KarlBarthDe vier jaar durende wereldoorlog had op een deel van christelijk Europa een ontnuchterende uitwerking. Op een deel…want de rooms-katholieke kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland bleven in het Interbellum even zelfgenoegzaam als zij voor 1914 al waren. De Nederlandse Hervormde Kerk omarmde echter het denken van de Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968). Barth (foto) was ontsteld over de verknoping van kerk en staat in de Eerste Wereldoorlog en schreef als reactie daarop dat het christendom geen ‘religie’ moest zijn maar de enige ware godsdienst, waarbij de God van de Bijbel niet voor een menselijk karretje kon worden gespannen maar de ‘Gans Andere’ moest worden genoemd, wiens genade ‘senkrecht von oben’ kwam, zonder menselijke bemoeienis.

Barth deed iets nieuws: hij koppelde God zoveel mogelijk los van menselijke ervaringen. En hij deed iets ouderwets: hij gaf de aloude orthodoxie een nieuwe impuls door een meerdelige ‘Kirchliche Dogmatik’ te schrijven, waarin hij uitgebreid uitlegde hoe Bijbel en geloof geïnterpreteerd dienden te worden.

haitjemaBarth had flinke invloed op hervormde intellectuelen in Nederland nadat hij hier was geïntroduceerd door de Groningse hoogleraar Th.L. Haitjema (1888-1972, foto). Ook op de theologiestudenten die lid waren van de Nederlandse Christen Studenten Vereniging (NCSV). De jonge Visser ’t Hooft, door Zeilstra omschreven als ‘een kleine filosoof’ die los en vast las wat hem onder ogen kwam (Heine, Tolstoi, Oscar Wilde en vooral Dostojevski), raakte als lid van de NCSV ook onder de bekoring van Barth.

Hun levens zouden verknoopt raken, al bleef Visser ’t Hooft altijd de bewonderende partij en Barth de zelfverzekerde leermeester. Dat hun levens verknoopt raakten had niet zozeer met hun theologie te maken. Visser ’t Hooft was geen groot theoloog, wel een groot organisator en in die hoedanigheid zou hij steeds weer met Barth te maken krijgen. De organisator Visser ’t Hooft werd jong ontdekt door de Amerikaan John Mott (1865-1955), een voorman van de wereldbond van Young Men’s Christian Associations (YMCA), die als ware zendeling ‘Christus’ wilde verspreiden over de wereld.

RoonVisser ’t Hooft komt uit het boek niet direct naar voren als een warme persoonlijkheid, hij was veeleer een aristocraat die driftig kon worden als de dingen niet gingen zoals hij het wilde. Maar hij moet ook begiftigd zijn geweest met diplomatieke gaven, want in het Interbellum – toen de gedachte groeide dat kerken niet alleen ‘de waarheid’ zouden moeten dienen maar ook ‘de eenheid’ dienden te bevorderen – kwam hij steeds meer naar voren als de man die de gewenste kerkelijke eenheid vorm zou kunnen geven.

Zeilstra heeft iets goeds gedaan door aan het licht te brengen dat Visser ’t Hooft na 1933 aanvankelijk veel begrip had voor het Derde Rijk van Hitler. Hij was niet de eerste die dat deed: de archieftijger Ger van Roon (1933-2014) had in zijn welhaast encyclopedische maar onleesbare standaardwerk Protestants Nederland en Duitsland 1933-1941 (1973) al laten zien dat Visser ’t Hooft kritiek op Nazi-Duitsland trachtte te matigen.

VisserMaar Zeilstra toont op basis van diens uitgebreide archief nu aan dat Visser ’t Hooft aanvankelijk begrip had voor het optreden van de nazi’s, ook tegen de Joden, die ook hij als probleem beschouwde. Dat lag voor de hand: de orthodox Visser ’t Hooft (foto) oordeelde als veel van zijn geloofsgenoten dat de Kerk de plaatsvervanger van ‘Israël’ (lees: ‘Gods volk’) was en Jezus, door gelovige Joden beschouwd als een valse profeet, dienden te aanvaarden als ‘zoon van God’.

Karl Barth opende hem de ogen voor het ware gezicht van het Derde Rijk. Eenmaal beseffend welke dreiging de Joden boven het hoofd hing, begon Visser ’t Hooft, die zich kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Genève had gevestigd, zoveel mogelijk hulp te bieden.

Hij ging er intensief mee door nadat de oorlog uitgebroken was. Maar hij deed meer: hij meende vanuit Zwitserland de Nederlandse regering in ballingschap van dienst te kunnen zijn door hen informatie te doen toekomen over wat zich in bezet gebied afspeelde. Hoewel zelf ook op afstand van Nederland levend, meende Visser ’t Hooft dat de regering in Londen zijn informatie goed kon gebruiken.

Zeilstra 1Die informatie ontving hij via de Zwitserse Weg, zo genoemd naar verzetsstrijders die vanuit Nederland Zwitserland bereikten met informatie over wat zich allemaal afspeelde tijdens de bezetting. Alleen: die informatie was gekleurd al naar gelang de verzetsgroep waartoe de verzetsstrijder behoorde. Volgens Zeilstra (foto) overschatte Visser ’t Hooft stelselmatig zijn invloed en onderschatte hij de toenemende strijd tussen het civiele en het militaire verzet.

Daarmee lijkt – ook buiten de oorlog – de kern van de persoonlijkheid van Visser ’t Hooft benoemd: hij leed aan zelfoverschatting en was tegelijkertijd tamelijk naïef. Hij zette zijn leven lang alle kaarten op de kerk en overschatte het belang daarvan in een tijd van niet alleen secularisatie (vanaf 1960) maar zelfs nog tijdens haar hoogtijdagen. De (politieke) wereld bewees lippendienst aan de kerk, zeer wel beseffend dat christenen een (morele) macht van betekenis konden vormen maar diezelfde wereld liet zich in de praktijk weinig gelegen liggen aan de moties, manifesten en vredesoproepen van de Wereldraad van Kerken, die Visser ’t Hooft als eerste secretaris-generaal tussen 1948 en 1966 zou leiden.

stalinDe befaamde en spottende vraag van Stalin (‘Hoeveel divisies heeft de paus’) kan ook gesteld worden naar aanleiding van het leven van Visser ’t Hooft. Voor de christenheid was de oprichting van de Wereldraad in 1948 een hele gebeurtenis. Maar voor de wereld? Nauwelijks. Niet alleen omdat de Wereldraad altijd verdeeld bleef tussen Oost en West en de tegenstellingen van de Koude Oorlog niet wist te overwinnen, alle inspanningen van Visser ’t Hooft ten spijt. Maar ook omdat de Wereldraad door haar omzichtig manoeuvreren tijdens de Koude Oorlog een slechte naam kreeg bij kleine, politiek en theologisch rechts georiënteerde kerken die de Wereldraad verweten een mantelorganisatie van de communistische landen te zijn.

HromadkaDat was de Wereldraad niet, maar ze miskende in haar zoektocht naar een ‘derde weg’ tussen communisme en kapitalisme wel het principiële verschil tussen de democratie in het Westen en de dictatuur in het Oosten. Visser ’t Hooft bleef maar in ‘dialoog’ met de communisten en hield dubieuze theologen als de Tsjech Josef Hromádka (1889-1969, foto) de hand boven het hoofd, ook al praatte die de Russische inval in Hongarije (1956) goed.

Was het naïviteit, was het hoogmoed? Vermoedelijk een mengeling van allebei. Naïef was het zeker te verkondigen dat alleen ‘de kerk van Christus’ over het heil voor de wereld beschikte. Maar hoogmoedig was het ook, want een kerkleider die alsmaar een woord voor de wereld had zonder politieke verantwoordelijkheid te dragen – dat moest vroeg of laat wel misgaan.

PotterEn het is misgegaan. Was de Wereldraad tijdens het directoraat van Visser ’t Hooft tenminste nog een spraakmakende organisatie en bleef ze dat ook nog enige tijd onder zijn (omstreden) opvolgers Eugene Carson Blake, Philip Potter (foto), Emilio Castro en Konrad Raiser, met ingang van het nieuwe millennium is het angstvallig stil geworden rond deze missionaire organisatie.

Terwijl je toch zou zeggen: nu die andere wereldgodsdienst (de islam) zo de trom roert, zou de Wereldraad niet achter kunnen blijven. Wat zegt dit? Is de tijd van grote woorden in het christendom voorbij? Of moet je zeggen: het christendom heeft zijn zeggingskracht verloren, hoeveel miljoenen christenen er ook op de wereld rondlopen? Met die vragen laat het boeiende boek van Jurjen Zeilstra, zelf diep gelovend in zowel de kracht van het christendom als in de oecumene, je achter.

Advertenties