Henriëtte Boas of het benauwende Joodse nationalisme van een scherpzinnig querulant

Henriette_BoasWie kent haar nog? Henriëtte Boas, de kleine vrouw met de enorme bos wit haar en levendige ogen die je scherp konden aankijken. Boas bemoeide zich met alle grote naoorlogse kwesties en bestookte kranten zo dikwijls met haar ongezouten opvattingen dat ze er de bijnaam ‘kampioen ingezonden brievenschrijfster’ aan overhield. Die brieven gingen, enkele uitzonderingen daargelaten, vooral over het Jodendom. Iedereen, maar in het bijzonder Joden, werd de maat genomen als iets gedebiteerd werd dat ze onjuist achtte over de Joodse geschiedenis of over de politiek van de staat Israel. Ze had dikwijls (zij het niet altijd) gelijk, maar gelijk hebben is nog iets anders dan gelijk krijgen, zo leert de voortreffelijke biografie De waarheidszoekster. Een leven voor de Joodse zaak, die Pauline Micheels op 25 mei jongstleden presenteerde.

henriette-boas-de-waarheidszoeksterIk was bij die presentatie aanwezig dankzij biografe Micheels, die me enkele maanden tevoren opbelde omdat ze in het archief Boas – door haar nauwgezet geordend – enkele brieven opgedoken had die ik met Boas in 1997 wisselde over de Weinreb-affaire. Ik had Boas destijds benaderd om haar te interviewen voor het Historisch Nieuwsblad over haar opmerkelijke, maar onderbelichte rol in die affaire. Regina Grüter had haar dat jaar recht gedaan in haar proefschrift Een fantast schrijft geschiedenis, waarin ze de affaire rond de in oorlogstijd weliswaar bedreigde maar ook uiterst dubieus opererende, want collaborerende Weinreb uit de doeken deed.

Ik was zelf vooral door de affaire geboeid geweest vanwege de rol van W.F. Hermans, die zich met de hem kenmerkende heftigheid op Weinreb had gestort. Wat ik in 1995 – toen ik in het Historisch Nieuwsblad over Hermans en de Weinreb-affaire schreef (het artikel is elders op deze website terug te lezen) – niet wist: dat Hermans vooral dankzij Boas zo bij die affaire betrokken is geraakt. Hij had weliswaar Weinrebs driedelige memoires Collaboratie en verzet (geredigeerd door Aad Nuis en Renate Rubinstein) al wel gelezen en daaraan het onbehagelijke gevoel overgehouden dat er iets niet klopte aan de heldenrol die Weinreb (foto) zichzelf toedichtte.

weinrebMaar daar zou het misschien bij zijn gebleven als hij niet door Henriëtte Boas naar voren werd geschoven om naast haar op te treden in het roemruchte Groningse forum over de Weinreb-affaire op 12 maart 1970. Boas voelde zich niet opgewassen tegen Renate Rubinstein, achttien jonger maar minstens even venijnig in haar doen en laten als zij zelf en daarbij beschikkend over een veel groter podium dankzij haar wekelijkse column Tamar in Vrij Nederland. Hermans kon Rubinstein wel aan, al was het vooral Rubinstein die zichzelf vloerde door tijdens de discussie in Groningen ene Bep Turksma op te voeren. Turksma was, evenals Weinreb, op 11 september 1942 door de SD gearresteerd maar op een andere plaats en zonder dat ze iets met hem te maken had. Rubinstein beweerde naoorlogse verhoren van Duitse politieagenten te hebben bestudeerd waarin vermeld zou staan dat de arrestatie van Weinreb te wijten was aan Turksma, die tijdens ‘verhoren’ zou zijn ‘doorgeslagen’.

TurksmaToen Rubinstein Turksma (foto) op 12 maart 1970 ter sprake bracht, stond Turksma – in het publiek gezeten – op, maakte zich bekend en zei Weinreb nooit te hebben ontmoet. Op dat moment besefte Hermans eens temeer dat Rubinstein gebluft had en stortte hij zich de daaropvolgende jaren vol overgave en met veel venijn in de polemiek rond Weinreb, die in 1976 door het Niod-rapport van A.J. van der Leeuw en D. Giltay Veth zou worden ontmaskerd als bedrieger die andere Joden valse beloften had voorgespiegeld als zouden zij via een door de Duitsers goedgekeurde ‘Weinreb-lijst’ overleven. Erger was dat Weinreb na zijn arrestatie celspionage had gepleegd en de Sicherheitsdienst zo van dienst was bij de Jodenvervolging.

Renate RubinsteinHenriëtte Boas koesterde al langer, veel langer verdenking tegen Renate Rubinstein (foto). Dit is een van de mooie lange lijnen die Pauline Micheels in haar boek trekt: de relatie tussen de twee schrijfsters Boas en Rubinstein. Een relatie die teruggaat tot de jaren vijftig, als Boas – die na de oorlog iedere uitlating over Joden en over de staat Israel met argusogen volgt – de kritische artikelen van Rubinstein over de Joodse staat onder ogen komen. Nu logen die artikelen, gepubliceerd in Propria Cures, er ook niet om, zo leert een citaat dat Micheels doorgeeft: ‘De zionisten hebben hun haatgevoelens geconverteerd op de twee volgende verschijnselen: het antisemitisme en dat wat zij assimilatie noemen’.

Het antisemitisme hier even buiten beschouwing gelaten heeft Rubinstein beslist een punt waar het aankomt op de zionistische houding tegenover assimilatie – zeker waar het de houding van Boas betreft. Toen ik de oude dame in 1997 (ze was toen 86 jaar) in Badhoevedorp thuis opzocht wist ik natuurlijk wel van haar enorme kennis van en betrokkenheid bij de Joodse zaak maar ik realiseerde me destijds niet hoe benauwend haar Joodse nationalisme eigenlijk was.

Etty HillesumPauline Micheels maakt dat bijzonder inzichtelijk in haar biografie. Niet door het steeds te benoemen maar door eenvoudig te registreren wie door Boas nu weer de Joodse maat werd genomen. Dat Boas in de jaren tachtig kritiek uitoefende op de plotselinge dweperij van christenen en andere goi met het postume dagboek Het verstoorde leven van de in 1943 in Auschwitz vermoorde Etty Hillesum (foto) is heel goed voorstelbaar. Maar ze ging een stap verder door zich ook te ergeren aan de geassimileerde Hillesum die meer gegrepen werd door het werk van Rilke en Dostojevski dan door de Joodse traditie, althans: zo luidde het verwijt van Boas.

Je zou zeggen: het goede recht van Hillesum, hoe dweepziek haar dagboeken ook zijn. Ze was immers vrij in haar voorkeuren, zoals iedereen. Maar niet voor Boas, die iedere Jood wil bepalen bij het Jodendom. In de biografie wemelt het van voorbeelden. Historicus Jacques Presser (foto) had bijvoorbeeld nooit Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 mogen schrijven want (het valt vanuit de verte al te raden) Presser had te weinig affiniteit met het Jodendom. Jacques_PresserPresser beschreef het lot van de Joden in de Tweede Wereldoorlog als het drama dat het was, misschien met te weinig voorgeschiedenis (zoals de historici Hermann von der Dunk en Ivo Schȍffer destijds al opmerkten) en met te weinig inlevingsvermogen voor de Joodsche Raad en haar voorzitters Asscher en Cohen, maar in elk geval als een drama zoals zich nooit eerder in de Nederlandse geschiedenis had voltrokken.

Maar wat stelde Boas, in navolging van de door haar hogelijk bewonderde Jaap Meijer? De oorlog was wel een drama, maar dan een van de vele drama’s die het Joodse volk door de geschiedenis onderging. Dat was feitelijk dan misschien wel waar maar het was ook hardvochtig. Hardvochtig was en bleef Boas voor (vooral) Joden die zich te weinig rekenschap gaven van het Jodendom. Uit het boek van Micheels komt niet duidelijk naar voren wat dat Jodendom voor Boas nu eigenlijk precies inhield: de religieuze traditie van het ‘uitverkoren volk’, zoals dat in de Tenach en de Talmoed wordt verkondigd? Of is het bij haar een seculiere traditie van een volk ‘dat altijd alleen leeft’, om een boektitel van de historica Els van Diggele te parafraseren , en waarbij trouw aan de gemeenschap voorop staat? Of allebei?

BoasHoe dit ook zij, gaandeweg begonnen Boas’ verstikkende opvattingen over hoe Joods Joden zouden moeten zijn me danig te irriteren. Daar komt iets bij: na de oorlog schreef ze decennia lang achtereenvolgende ambassadeurs van Israel aan. Je denkt allereerst: wat zouden die ambassadeurs daarvan gevonden hebben? Micheels maakt goed duidelijk hoe geprikkeld zij soms reageerden op die niet aflatende vermaningen en informatie. Maar los van de reactie van ambassadeurs: wat is dit toch voor een rare ‘spionage’ over de gedragingen van Nederlandse Joden? We zijn tegenwoordig (terecht) kritisch over Turken die in hun eigen land klikken over hun in Nederland wonende landgenoten, maar bij Boas valt hier op zijn minst ook een stevig vraagteken te plaatsen.

israelBij dat al moet natuurlijk het kleine menselijke drama in ogenschouw worden genomen dat Micheels meesterlijk beschrijft: haar totaal mislukte verblijf in Israel, eind jaren veertig en begin jaren vijftig. Ze kwam niet of nauwelijks aan de slag en werd door de mensen van wie ze haar kamer huurde met (letterlijk) veel geweld weggepest. Enkele rechtszaken en procedures later keerde ze gedesillusioneerd terug naar Nederland om weer bij haar moeder te gaan wonen.

Waar haar zuster en een van haar broers wel konden aarden in Israel, is Jetty Boas er nooit echt thuis geweest. Misschien was dat het grote verdriet in haar leven en heeft ze zich daarom met zoveel engagement als zaakwaarnemer van Israel in Nederland opgeworpen. Micheels memoreert een spreuk van de Middeleeuwse Spaanse dichter Jehoeda Halevi, die bij de begrafenis van Boas in 2001 werd uitgesproken: ‘Mijn hart is in het oosten, maar ik leef in een uithoek in het westen’.

Wat ook niet hielp in haar obsessionele engagement voor de Joodse zaak was dat ze haar hart nooit aan een levenspartner wist te verpanden. Micheels achterhaalde dat ze één liefde had gekend in de persoon van de economiestudent Ezra de Lieme – in 1943 treurig genoeg vermoord in Sobibor. Ze mijmerde in brieven aan haar moeder wel herhaaldelijk over een geliefde maar die zou er nooit komen.

MentenZo was en bleef ze getrouwd met het Jodendom. Bij alle genoemde bezwaren (haar benauwende Joodse nationalisme en het voortdurend andere Joden de maat nemen of ze wel Joods genoeg waren) , school er ook één voordeel in dit ‘huwelijk’. Ze was uitermate gevoelig voor onrecht in heden en verleden. Het bleek in de affaire Weinreb, het bleek ook uit haar agenderen van wat de ‘Menten affaire’ is gaan heten. Door haar contacten in Israel sloeg ze alarm toen de bejaarde oorlogsmisdadiger Pieter Menten (foto), die zwaar gecollaboreerd had met de Duitse bezetters van het ‘Generaal-gouvernement’ (het restant van Polen waar de nazi’s de meeste van hun vernietigingskampen hadden gevestigd), in de jaren zeventig zijn kunstcollectie te gelde wilde maken. Haar tragiek: ze was inmiddels zo omstreden en had zo weinig maatschappelijk aanzien dat ze journalist Hans Knoop tipte – die ook prompt met de eer ging strijken toen de affaire uitgroeide tot een nationaal schandaal en dat deed in voorbijgaan aan Boas, de vrouw zonder wie hij nooit de journalist kon worden die hij werd.

BenimaZe verdiende de kost als (verdienstelijk) lerares klassieke talen, het vak waarin ze in navolging van haar in de oorlog gestorven vader was opgeleid. Maar ze had een grote irritatiefactor, zo blijkt het hele boek door. Je verbaast je over wat mensen allemaal tegen haar zeiden, hoe hard ze haar de les lazen. Dat moet haar postuum worden nagegeven: ze kon uitdelen maar ook incasseren. Lees hoe Tamarah Benima (foto), in de jaren negentig hoofdredacteur van het Nieuw Israëlitisch Weekblad, haar de les leest en hoe Boas haar, bij alle kritiek, uiteindelijk nog waardeerde – uiteraard in een brief aan de Israëlische ambassadeur.

JoodscheWeekblad

Gelijk had ze – zie Weinreb, zie Menten – dikwijls maar gelijk krijgen was een kunst die ze niet beheerste. Haar vernietigende kritiek op de almaar naar zingeving zoekende Dick Houwaart (Joods geboren, maar eerst katholiek en toen hervormd geworden, alvorens in de moederschoot terug te keren) had afdoende moeten zijn maar haar toon en reputatie zorgden ervoor dat Houwaart met de schrik vrij kwam en nog een tijdje rond kon blijven toeteren. Houwaart had zich na zijn herontdekking van het Jodendom vol hartstocht maar zonder veel gezond verstand gestort op Joodse kwesties. Hij schreef een voorbarig Witboek over Weinreb en de late ‘bekeerling’ voorzag de complete heruitgave van Het Joodsche Weekblad (het orgaan van de Joodse Raad tijdens de oorlog) van een voorwoord dat, in navolging van Pressers oordeel in Ondergang, meer weg had van een aanklacht tegen Asscher en Cohen. Alleen: het oordeel van Houwaart was tweedehands en misstond bovendien de man die zich ineens met zoveel tromgeroffel op zijn Jodendom beriep.

FuksBoas’ toon was ook niet goed tegenover (vooral) vrouwen. Ludy Giebels, die promoveerde op het vooroorlogse zionisme had er maar bar weinig van begrepen, aldus Boas. Maar de meeste pijlen richtte ze op (daar gaan we weer) Joodse vrouwen: Rena Fuks-Mansfeld (foto), Evelien Gans, Selma Leydesdorff – ze konden geen goed doen, hoeveel ze ook publiceerden. Het was of niet Joods genoeg of ze hadden te weinig van het Jodendom begrepen, aan dat mantra kwam pas een einde met haar dood. Niet dat alle kritiek onzinnig was, integendeel: Boas was een scherpzinnig querulant, die altijd te denken gaf. Maar haar scherpte tegenover deze Joodse vrouwen doet ook vermoeden dat er voor haar meer op het spel stond: nijd tegenover vrouwen die zich op haar terrein bewogen. Het doet denken aan het ‘narcisme van de kleine verschillen’, waarover Freud in een ander verband sprak.

Boas 2Er zou nog meer over het fenomeen Boas te zeggen zijn, zoals het bizarre geloof dat ze hechtte aan grafologie (handschriftkunde) en astrologie – niet te rijmen met de strenge wetenschappelijkheid die ze verder aan de dag legde en van iedereen eiste. Maar genoeg hierover: uit de hier naar voren gehaalde ruzies, polemieken en vetes – allemaal ten dienste van de Joodse zaak – mag wel blijken dat Boas een uitermate kleurrijke en controversiële verschijning is geweest die het waard is in herinnering te blijven. Pauline Micheels heeft er dan ook goed aan gedaan dit leven, hoe schraal ook in persoonlijk opzicht, in kaart te brengen. Dat ze het ook nog voortreffelijk deed, is mooi meegenomen, al zou Boas, haar kritische aard eigen, ongetwijfeld wat te vitten hebben gehad.

Advertenties