‘Deze verdelging duurde voort zonder ophouden tot ’s avonds laat’. Nederlandse ooggetuigen van de Armeense tragedie

Ik las de afgelopen weken met grote aandacht het proefschrift van Dirk Roodzant, die op 23 april van dit jaar aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde op “De Armeense gruwelen. Nederland en de vervolgingen van de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk 1889-1923”. Ik koos het voor het historisch radioprogramma OVT als boek van de maand en deed dat niet voor niets: Roodzant schreef een belangrijk boek over een onderwerp dat in Nederland de laatste tijd alleen nog in het nieuws komt omdat Turkije moord en brand schreeuwt als de regering en parlement van een ander land de genocide op de Armeniërs in 1915 officieel erkent. Langs Nederlanders gaat de massamoord op de Armeniërs, die ruim 1 miljoen doden te betreuren hadden, grotendeels heen, vermoedelijk omdat die letterlijk ver van het bed plaats heeft gevonden. Maar toen de massamoorden plaatsvonden deden pers en gezanten ter plaatse voluit verslag van een massamoord die destijds verdeelde reacties opriep.

Lees verder

Conrad Busken Huet (‘De beul van Haarlem’) en Willem Frederik Hermans (‘Het beest van Haren’): een vergelijking

De afgelopen maand las ik veel van en over Conrad Busken Huet ((1826-1886). Dat wil zeggen: verscheidene van zijn kritieken en enkele studies die Olf Praamstra over hem schreef, te weten diens proefschrift Gezond verstand en goede smaak (1991) over de kritieken van Huet en de in 2007 verschenen biografie. Hoewel Willem Frederik Hermans (1921-1995) in geen van beide boeken voorkomt, moest ik onweerstaanbaar aan hem denken, gezien de vele overeenkomsten tussen Huet en Hermans. Hermans wordt – ook door hemzelf – immer in verband gebracht met Multatuli maar mij lijken de overeenkomsten met Huet groter. Overeenkomsten sluiten verschillen niet uit, want ook die lopen in het oog, al treffen mij vooral de overeenkomsten tussen de schrijvers voor wie literatuur troost bood in het onmogelijk bestaan – dat vooral door eigen toedoen moeizaam was. Een vergelijking.

Lees verder

Een immer evenwichtig en fair oordelend historicus. Pieter van Hees (1937-2021), kenner en bezorger van het werk van Pieter Geyl

“Ganz unschätzbar sind Briefwechsel zweier oder mehrerer durch Tätigkeit in einem gemeinsamen Kreis sich fortbildender Personen”, schreef Goethe eens in een citaat dat ik las bij de historicus Pieter van Hees (1937-2021). Het is een sleutelzin die geheel en al op het levenswerk van Van Hees van toepassing was: hij heeft briefwisselingen van aan elkaar gewaagde historici bezorgd, waarvan uitgave van de vijf delen Gerretson-Geyl (1979-1981) wel het hoogtepunt moet worden genoemd. Van Hees stierf op 20 april jongstleden. Hij geldt als een historians historian, niet erg bekend bij het grote publiek maar wel geacht door vakgenoten, in het bijzonder in Vlaanderen waar hij gewaardeerd werd om zijn grote kennis van de Vlaamse Beweging. Maar hij zal vooral bekend blijven als de man die de historicus Pieter Geyl een lang nachleben bezorgde. Ik heb hem de laatste twintig jaar van zijn leven goed leren kennen en raakte goed met hem bevriend.  Een impressie van zijn werk en zijn persoon dat tevens als eerbetoon bedoeld is.

Lees verder

De “Hitler-dagboeken” of hoe nepnieuws anno 1983 even wereldnieuws werd

Bijna dertig jaar geleden schreef ik een inmiddels digitaal onvindbaar artikel over de vervalsing van de Hitler-dagboeken door Konrad Kujau (1938-2000) dat ik hier ‘nieuw leven’ geef. In april 1983 werden die dagboeken door het West-Duitse weekblad Stern met veel aplomb en sensatiezucht aan de wereld geopenbaard. Drijvende kracht achter die onthulling was de dubieuze, nu bijna 90-jarige redacteur Gerd Heidemann (1931), van wie in 2002 ook nog bekend werd dat hij jarenlang informant was geweest van de Oost-Duitse geheime dienst Stasi. Heidemann was zo tuk op journalistieke roem en stond dermate kritiekloos tegenover alles dat met het nationaalsocialisme van doen had, dat hij zich maar al te graag om de tuin liet leiden door Kujau. Dankzij de vervalste Hitler-dagboeken sneuvelde menige reputatie. Maar de vervalsing liet vooral zien hoe gretig pers en publiek (ook in Nederland) zijn als het nieuws over Hitler betreft, ook en zelfs als het nepnieuws betreft. Robert Harris, inmiddels een befaamd romancier, schreef een meeslepend verslag van de ‘vervalsing van de eeuw’, zoals de zwendel later genoemd werd. Anno 1983 gold: Hitler und kein Ende. Anno 2021 is dat niet anders.

Lees verder

Over “Vuur in de nacht” van Albert Maltz, de favoriete roman van mijn vader

The Cross and the Arrow, in het Nederlands vertaald als Vuur in de nacht, was de favoriete roman van mijn recent gestorven vader. Ik had nog nooit van het boek gehoord en evenmin van de schrijver, de Amerikaan Albert Maltz (1908-1985). Zoals dat gaat: druk met andere boeken en schrijvers kwam ik nooit aan Vuur in de nacht toe. Maar na zijn sterven wilde ik weten waarom het boek hem zo had gegrepen. Ik las het dezer dagen en verdiepte me in Albert Maltz, een interessante figuur die in de Verenigde Staten als communist tussen twee vuren kwam: hij werd begin jaren vijftig belaagd door communistenvreter Joseph McCarthy en hij kwam onder vuur te liggen van Amerikaanse communisten die vonden dat Maltz te weinig ‘socialistisch-realistisch’ schreef. Maltz bleef bij al zijn engagement dus uiteindelijk een eenling, altijd een goed teken voor een schrijver.

Lees verder

Snouck Hurgronje, de ‘volkomen geleerde’, die tevens activist was

Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) was tot voor kort voor mij alleen een naam. Dat hij als islamoloog een geleerde van wereldfaam was wist ik, zoals me ook bekend was dat hij een jeugdvriend was van de gereformeerde theoloog Herman Bavinck. Vergeleken met de wat brave Bavinck leidde Snouck Hurgronje een bijzonder enerverend leven leidde, bepaald niet alleen het ‘volkomen geleerdenleven’ dat Wim van den Doel van hem maakt in zijn uitputtende biografie die onlangs verscheen. Bij al zijn geleerdheid was Snouck namelijk ook een activist, eerst en vooral erop uit de regering in Den Haag en het gouvernement in Indië te doordringen van zijn visie op de islam. Die visie getuigde van optimisme: de islam zou onder invloed van de moderniteit als vanzelf liberaler worden, een visie die niet uitgekomen is.

Lees verder

“Feuerbach, dat zijn wij”: godsdienstfilosoof en ethicus Herman Heering over christendom en atheïsme

Ooit las ik Tragiek. Van Aeschylus tot Sartre, een voortreffelijke studie van de vrijzinnige Leidse hoogleraar godsdienstfilosofie H.J. (Herman) Heering (1912-2000), dat in 1961 verscheen. Sindsdien volgde ik zijn bescheiden maar bijzondere oeuvre. Heering schreef niet alleen over tragiek, het leven van Heering had zelf ook iets tragisch. Hij was in de tweede helft van de twintigste eeuw binnen de universitaire muren een vrijzinnig en tegelijk orthodox vertegenwoordiger van het christendom. Hij stond open voor de moderne cultuur maar meende tegelijkertijd dat alle heil van Jezus van Nazareth moest komen. Terwijl Heering de secularisatie binnen de muren van de academie analyseerde, ging die buiten de muren onverdroten door. Hij doorleefde het atheïsme van Feuerbach (‘Feuerbach, dat zijn wij’) maar geloofde tevens dat God het laatste woord had. Ook wie niet al zijn denkbeelden deelt, kan zich geboeid weten door deze nagenoeg vergeten figuur.

Lees verder

Bob Smalhout, “Een verdwenen wereld”. Portret van mijn vader, Jacobus (‘Kobus’) Berkelaar (1930-2021)

Mijn dezer dagen gestorven vader Jacobus (‘Kobus’) Berkelaar was tussen 1959 en 1995 hoofd tuindienst van het Academisch Ziekenhuis Utrecht, tegenwoordig Universitair Medisch Centrum geheten. Daar stond hij bekend als ‘de tuinman met het rode gezicht’, die niet alleen het ziekenhuisterrein van groen voorzag maar ook patiënten bloemen bracht en als uitmuntend spreker menig afscheid van medische professoren opluisterde. Met een van hen raakte hij bevriend: de anesthesist Bob Smalhout (1927-2015). Die portretteerde mijn vader op 4 februari 2006 in De Telegraaf onder de titel ‘Een verdwenen wereld’, een portret dat hij in 2009 opnam in zijn bundel Portretten uit een bewogen tijd, onder redactie van journalist René Steenhorst. Ik publiceer het hier omdat het een mooi beeld geeft van de standenmaatschappij die Nederland in de jaren vijftig nog was.

Lees verder

“De katholieke Kerk heeft het signaal voor de goederentreinen niet op rood gezet”. De discussie over Rolf Hochhuths toneelstuk ‘De plaatsbekleder’ (1963)

Op 13 mei 2020 stierf de Duitse toneelschrijver Rolf Hochhuth in de leeftijd van 89 jaar. Hochhuth werd op 33-jarige leeftijd wereldberoemd met zijn toneelstuk Der Stellvertreter, een felle aanklacht tegen paus Pius XII, die hij ervan beschuldigde niet geprotesteerd te hebben tegen de Jodenvervolging door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het toneelstuk verscheen enkele jaren na het proces tegen Adolf Eichmann, een van de organisatoren van de Holocaust. Dat proces plaatste de Jodenvervolging in het brandpunt van de belangstelling. Der Stellvertreter was een katalysator van een discussie over een ander thema: de verantwoordelijkheid van ‘omstanders’ ten tijde van de Jodenvervolging. In dit geval een ‘omstander’ die moreel gezag genoot: de rooms-katholieke kerk. Geen wonder dat zijn toneelstuk bij verschijnen in 1963 wereldnieuws was. Een reconstructie van het heftige debat destijds, dat ook aan Nederland niet voorbijging.

Lees verder

Eens neomarxisme, nu identiteitspolitiek: de ‘kritische’ universiteit in een ander jasje

Dit jaar verscheen in de Verenigde Staten een intrigerend boek: Cynical Theories. How Activist Scholarship Made Everything about Race, Gender and Identity and why This Harms Everybody, geschreven door de wetenschappers Helen Pluckrose en James Lindsay. Zij betogen dat het postmodernisme een onheilige alliantie is aangegaan met identiteitspolitiek. Wetenschap zou in bepaalde humaniora niet langer draaien om weging van argumenten, onafhankelijk van kleur of klasse van de wetenschapper, maar kleur en klasse vormen zelf een argument. Spreken namens kleur of klasse leidt tot identiteitspolitiek met als inzet de ‘ontmaskering’ van de ‘gevestigde’ wetenschap. Maar hoe zelfkritisch zijn de identiteitsactivisten, de opvolgers van de neomarxisten van de jaren ’60 tot aan de jaren ’90? Dit is een lichte bewerking van een artikel dat op 4 december 2020 werd gepubliceerd in het Nederlands Dagblad.

Lees verder